k heb het lief, mijn dorpje klein
Daar aan der duinen rand.
Zoo lieflijk, zoo vol zonneschijn
Is geen in 't heele land
Ik heb ze lief, de huisjes laag
Verscholen in het groen,
Omgeven door een Meidoornhaag
En geurig bloemfestoen
Ik heb het lief, het bosch zoo wijd,
De mooie sparrenlaan,
Waar eik en dennen zijd aan zijd,
Naast hooge beuken staan.
Waar nachtegaal en merel zingt
In 't jonge kreupelhout,
Waar het gekweel der lijster klinkt,
Zijn nest de reiger bouwt.
Ik heb het lief, het blonde duin,
Waar ver ik dwalen kan,
In zijne pannen teer en fijn
Veel wondre bloemen staan
Ik heb het lief, het Bergerstrand,
De groote, wijde zee,
De golven brengen op het zand
Veel duizend schelpjes mee.
Ze gaan en komen, zonder rust,
Nu blauw, dan zilvergrijs;
Ze breken schuimend op de kust
En zingen deze wijs:
Heil Bergen, heil het dorpje klein,
Daar aan der duinen rand;
Zoo lief'lijk, zoo vol zonneschijn,
Is geen in 't heele land.
|
 |